Vigo’s Kinderopvang: Uw kostbaarste bezit in veilige handen….
Kinderopvang is een kwestie van vertrouwen. Ouders vertrouwen ons hun dierbaarste bezit toe. Vigo’s kinderopvang vindt het belangrijk dat wanneer u, uw kind achterlaat bij Vigo’s, u er zeker van bent dat uw kind in goede handen is. Het pedagogisch beleid geeft aan welke uitgangspunten en werkwijze Vigo’s Kinderopvang hanteert bij de omgang, verzorging en opvoeding van de kinderen. Het pedagogisch beleidsplan van Vigo’s vindt u op onze website en in de informatie folder.
Aanvullend op de het pedagogisch beleidsplan heeft elke vestiging haar vertaalslag gemaakt en dit weergegeven in het pedagogisch werkplan van de vestiging, deze heeft u nu voor zich liggen van vestiging “De Droom” Hiermee wordt het opvoedkundig handelen van de groepsleiding zichtbaar en tevens toetsbaar. Jaarlijks wordt het pedagogisch werkplan met het team en de lokale oudercommissie doorgesproken en , indien gewenst, aangepast.
In dit pedagogisch werkplan gaan wij een aantal praktische zaken behandeld; de groepsgrootte, de leeftijdsopbouw van de (stam) groepen, het aantal kinderen per leid(st)er, het dagschema, het wennen, de leeftijdsgebonden activiteiten die buiten de eigen groep plaatsvinden, het nemen van afscheid (‘s morgens bij het afscheid nemen, maar ook bij doorstromen naar een andere groep of het verlaten van de opvang), ziekte, ophalen van kinderen bij de scholen/gastouders, het vieren van verjaardagen en andere feesten. Dit plan is op elke vestiging in te zien en tevens ontvangt iedere ouder een exemplaar wanneer een contract voor de vestiging wordt aangeboden. Ieder jaar kunt u een aangepast werkplan opvragen bij de vestiging of ons hoofdkantoor.
Een veilige en vertrouwde omgeving is de basis voor een goede ontwikkeling van een kind. Bij Vigo’s bieden we kinderen een gezellige, veilige een stimulerende omgeving waar zij zich veilig en geborgen voelen, zodat zij kunnen opgroeien tot zelfstandige, evenwichtige mensen met respect voor anderen en zichzelf. Wij willen met Vigo’s meer bieden dan slechts “opvang” (verzorging) alleen. Dit wordt o.a. bewerkstelligd door minimaal drie leidsters op een groep te laten werken. Door het aantal groepsleidsters op een groep te vergroten is er meer aandacht voor de groep, het individuele kind; activiteiten en het opsplitsen in kleinere groepjes. Wij stellen hoge eisen aan vakbekwaamheid van de leidsters, de indeling en inrichting van de opvangruimte.
Dit alles speelt zich af in een huiselijke, niet schoolse sfeer. Kwalitatief goede zorg staat voorop, met respect voor de culturele achtergrond van elk kind. Gekwalificeerd personeel staat garant voor deze kwaliteit en streeft naar een zo goed mogelijk contact met de ouders, om de begeleiding van de kinderen zoveel mogelijk te laten aansluiten met de thuissituatie. In dit boekje wordt achtergrondinformatie gegeven over het kinderdagverblijf “De Droom” en over procedures met betrekking tot de interne organisatie. In dit boekje wordt regelmatig verwezen naar de ouders. Hiervoor dient ouders en/of verzorgers te worden gelezen. Mochten er na het lezen van deze informatie nog vragen zijn zullen wij hierop graag een antwoord geven.
Visie op kinderopvang in kinderdagverblijven
Door het kind naar een kinderdagverblijf te brengen kiest de ouder voor opvang in een groep. Voor het kind betekent dit een andere omgeving met andere mogelijkheden dan in de thuissituatie. Voor kinderen is het kinderdagverblijf een plaats om elkaar te ontmoeten en te leren kennen, met elkaar te spelen, samen te eten en te slapen. Verder is het een plaats om van elkaar te leren, om met elkaar rekening te houden en ervaringen op te doen. De ruimte in het kinderdagverblijf is speciaal voor kinderen ingericht en biedt vaak meer of andere mogelijkheden tot spelen dan de thuissituatie. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat hun kinderen tijdens hun afwezigheid goed verzorgd en begeleid worden en dat de ruimte waarin de kinderen verblijven aantrekkelijk, veilig en schoon is. Tevens mogen zij verwachten dat er zorgvuldig met hun kinderen wordt omgegaan; dat zij met vragen, opmerkingen, wensen en klachten terecht kunnen en dat zij voldoende geïnformeerd worden. Samengevat betekent kinderopvang in een kinderdagverblijf: een verbreding van de opvoedingssituatie door meer verzorgers en een andere omgeving met andere mogelijkheden. Het wordt zo een aanvulling op de opvoedingsactiviteiten van de ouders. Een kind moet zich kunnen ontplooien in een kinderdagverblijf. Kinderopvang in het kinderdagverblijf betekent meer dan “gezellig bezig zijn met kinderen”.
Er zijn vijf opvoedingsdoelen die Vigo’s nastreeft:
Om de ontwikkeling van kinderen vanuit deze doelstelling te bevorderen, worden eisen gesteld aan:
Een pas geboren baby is totaal afhankelijk van anderen, maar binnen 4 jaar kan het kind zich zelfstandig voortbewegen, leert het begrippen en regels, leert het spreken en samen met anderen spelen, tanden poetsen en zichzelf aan- en uitkleden. Een groei van totale afhankelijkheid tot grote mate van zelfstandigheid in een beperkt aantal jaren. Op welke wijze en in welk tempo het kind zich ontwikkelt verschilt per kind. Elk kind heeft zijn eigen capaciteiten, intelligentie en temperament. Daarnaast spelen ook de situaties waarin het kind opgroeit en de mensen waarmee het kind te maken krijgt een belangrijke rol in de manier waarop het kind zich kan ontplooien. In het kinderdagverblijf kan de leidster de ontwikkeling positief beïnvloeden door te zorgen voor een zodanige sfeer in de groep dat het kind zich op zijn gemak voelt. Ieder kind heeft in een positieve sfeer de behoefte en nieuwsgierigheid om zijn eigen vermogen te gebruiken en te vergroten. Het wil zaken en situaties onderzoeken en zich zo ontwikkelen tot een zelfstandig mens. De ontwikkeling van kinderen kan in verschillende ontwikkelingsgebieden worden ingedeeld die elkaar overlappen of zeer nauw met elkaar samenhangen. Een baby gaat gaandeweg zijn bewegingen steeds beter beheersen. In eerste instantie kan hij alleen liggen en zwaait hij wat ongericht maar uiteindelijk zal hij zich omdraaien, doelbewust naar voorwerpen te grijpen, gaan zitten, zich optrekken, kruipen en lopen. Ook de zintuiglijke ontwikkeling is in volle gang. Geluiden, kleuren, en vormen zijn prikkels die uitnodigen tot onderzoek. Baby’s zijn steeds bezig met het betasten en beproeven van voorwerpen, ze kijken en luisteren geboeid en reageren sterk op prikkels buitenaf. Naarmate de baby ouder wordt en dus mobieler, gaat hij de omgeving nader onderzoeken. Het kind leert dat voorwerpen die uit het zicht verdwijnen toch blijven bestaan. Het kind krijgt een beginnend besef van oorzaak en gevolg. Een heel belangrijk onderdeel van de totale ontwikkeling van het jonge kind is de taalontwikkeling, omdat dit de communicatiemogelijkheid bij uitstek is. Gevoelens, ervaringen, feiten en situaties benoemen en onder woorden brengen maakt begrijpen en herinneren mogelijk. De leefwereld wordt daardoor geordend en veilig. Doordat het meeste speelmateriaal in primaire kleuren is uitgevoerd ontstaat een vrolijk interieur met een rustige achtergrond. De leidsters zorgen voor variatie in prikkels en weten de hoeveelheid prikkels te doseren. Het spelmateriaal en de inrichting zijn vooral gericht op zintuiglijk plezier. Materiaal om naar te kijken en te luisteren, in beweging te zetten, te betasten en te beproeven. Er zijn diverse kleurige rammelaars aanwezig in zowel hard als zacht materiaal. Er zijn aantrekkelijke gekleurde ballen en speeltjes om naar te kijken of naar toe te kruipen. Kinderen worden regelmatig op een speelkleed gelegd, zowel op de rug als de buik, om de spieren in de rug en hoofd te ontwikkelen en om veilig te kunnen omrollen. Als de baby kan zitten is de wandspiegel waarin het kind zichzelf kan bestuderen een groot succes. Het trekken aan een touwtje heeft voor het kind het verrassende effect dat er muziek uit een speeldoosje komt. Het rijdend materiaal, verschillend in soort ( b.v. een duwkar) zal het kind uitdagen om te gaan lopen. Maar het allermooiste speelgoed voor een baby is de mens. De stem, de ogen en het gezicht van de leidster spelen een belangrijke rol bij de taalverwerving. De leidster zal tijdens de verzorgende werkzaamheden naar het kind kijken. Door te reageren op de baby en de baby op de leidster te laten reageren wordt het kind gestimuleerd tot communicatie. Praten tegen het kind en benoemen wat het kind ziet, doet en aan gevoelens uit, is bevorderend voor de taalontwikkeling. De leidster zal geluiden die het kind maakt nabootsen, maar niet alleen babytaal spreken. Het kind zal klanken gaan herkennen door de gesproken taal en vooral de liedjes van de leidsters. Het gebruik van een radio zal beperkt blijven omdat kleine kinderen nog geen geluiden kunnen selecteren. Een radio kan storende factor zijn bij een gesprek tussen leidster en kind. Lichamelijk contact is een spel voor de baby: knuffelen, aaien en wiegen is uitermate belangrijk voor zijn welzijn en ontwikkeling. De leidster zal ingaan op uitingen van lust- en onlustgevoelens, zowel verbaal en non-verbaal, als door middel van lichamelijk contact, opdat de baby een gevoel van veiligheid en vertrouwen ontwikkelt. Behalve het feit dat het kind na verloop van tijd onderscheid zal gaan maken tussen bekenden en onbekenden en uiteindelijk een eenkennigheidfase zal ondergaan, is van belang om te vermelden dat de interesse voor de andere kinderen groeit. De baby’s lachen en brabbelen naar elkaar. De leidster zal dit contact stimuleren door baby’s in elkaars nabijheid te brengen, b.v. in een wipstoeltje. De kleine baby’s van 3 tot 6 a 7 maanden slapen veel al in de groepsruimte. De baby kan goed wennen aan geluiden om zich heen en zal hierdoor rustiger en beter slapen. De oudere baby’s en kinderen liggen in een eigen bedje op een vaste plaats, verdeeld over twee slaapkamertjes. Deze slaapkamers zijn sfeervol ingericht en stralen een rustige sfeer uit.
Met het lopen wordt de bereikbare omgeving van het kind groter en biedt meer mogelijkheden. Ieder kind heeft grote behoefte aan beweging omdat dit heel belangrijk is voor de ontwikkeling van het kind. Door het vastpakken van voorwerpen ontwikkelt het kind zich al spelende verder. Naarmate het ouder wordt leert het beter en op meer verfijnde wijze de spieren te beheersen. Het kind zal steeds beter gedetailleerd dingen zien, horen, voelen en proeven. Langzaamaan leert het kind kleuren, vormen, maten en begrippen. Het kan zich een voorstelling maken van zaken, maakt plannetjes en voert ze uit. Vanaf het derde jaar wordt het hoe en waarom van de dingen belangrijk voor het kind. De fantasie ontwikkelt zich zó dat de werkelijkheid en fantasie wel eens verward worden. De rol van de taal wordt steeds belangrijker bij communicatie. Voorafgaand aan taalgebruik gaat taalbegrip. De dreumes begrijpt veel meer dan hij kan zeggen met woorden. Het zelfbewustzijn groeit en het ‘ik-gevoel’ wordt ontwikkeld. Het kind kan ‘nee’ moeilijk accepteren; het wordt opstandig. Het heeft deze fase nodig om zelfbesef en wilskracht te ontwikkelen en zijn grenzen te ervaren. Wanneer ook het ‘jij-besef’ ontstaat leert het geleidelijk aan rekening te houden met anderen omdat het zich gaat realiseren dat anderen ook behoeften hebben. De meeste peuters kunnen vanaf drie jaar redelijk verwoorden wat zij willen en kunnen. Het contact met de groepsgenootjes groeit, de zelfstandigheid en onafhankelijkheid worden groter. De kleur en de inrichting van de dreumes- en peuterruimte is volledig afgestemd op de behoeften van deze leeftijdscategorie. Het veelal fel gekleurde en blankhouten spelmateriaal geeft de ruimte en levendige aanblik. Er is een kindertafel met stoeltjes aanwezig. Het knippen, plakken, verven en andere knutselactiviteiten wordt aan een hoge tafel gedaan. De leidsters zorgen ervoor dat er afwisseling is tussen rustige en beweeglijke activiteiten. Dagelijks wordt er op vaste tijden met de kinderen gedanst en oefeningen gedaan op speciale Nederlands kinderliedjes, ieder keer weer een feest! Meerdere malen per week wordt er met de kinderen gegymd. Tijdens deze gym uurtjes wordt er veel tijd besteed aan springen, rollen en balanceren. De leidsters maken vrije ruimte en bouwen een speciaal gym parcours in de groepsruimte. Wanneer het weer het toelaat zullen we veel in de buitenlucht met de kinderen zijn. Hier is voldoende ruimte en gelegenheid om aan de behoefte te voldoen van het klimmen, rennen en fietswerk. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de fijne motoriek door het aanbieden van bepaald materiaal. Zo is het vasthouden van een potlood of kinderschaartje, het verven met de handen of een kwastje en het spelen met klei of zand bevorderlijk voor de motoriek. Het kind leert het verloop van de dag kennen door de vaste dagindeling. Het leert groepsregels begrijpen. De leidsters zullen vragen van het kind naar het ‘hoe’ en ‘waarom’ duidelijk beantwoorden. Daardoor leert het kind situaties en de wereld om zich heen kennen en begrijpen. Het houden van gesprekjes, vertellen, voorlezen, boekjes bekijken en liedjes zingen behoort tot de dagelijkse bezigheden van de leidsters. Omdat kinderen veel leren door imitatie wordt door de leidsters in correcte en begrijpelijke taal gesproken. De kinderen worden uitgenodigd om te praten door middel van het aanwezige spelmateriaal, het bewuste gebruik van een cassetterecorder en de actieve opstelling van de leidster. Verkeerd uitgesproken woorden worden op een speelse manier verbeterd. De kinderen in de dreumesleeftijd beleven veel plezier aan elkaars aanwezigheid maar spelen voornamelijk voor zichzelf; het spel is egocentrisch. Wanneer kinderen ‘samen bouwen’ betekent dit vaak dat het kind voor zichzelf bezig is. De leidster stimuleert het plezier in het samenzijn bijvoorbeeld door aan tafel samen een liedje te zingen voor het eten. Wanneer ook het ‘jijbesef’ ontstaat kan het spelen zich ontwikkelen van naast elkaar tot met elkaar. Hierop wordt aangesloten door groepsactiviteiten te ondernemen zoals bijvoorbeeld een puzzel samen te maken of gezelschapsspelletjes doen. De kinderen gaan meer met hun fantasie aan de gang, bedenken zelf bijvoorbeeld dat de tafel kan praten. Hun spel wordt ingewikkelder en krijgt steeds meer een bedoeling. De poppenhoek en de verkleedkist zijn geliefde hulpmiddelen om de fantasie de vrije loop te laten. De behoefte aan de vertrouwde leidster schuift langzaam naar de achtergrond. De wetenschap dat zij aanwezig en beschikbaar is op het moment dat het nodig is, geeft het kind voldoende vertrouwen om zelfstandig te ondernemen. De behoefte aan onafhankelijkheid wordt door de leidster gerespecteerd en gestimuleerd; zo kunnen de kinderen bijvoorbeeld zelf in bepaalde mate speelgoed uit de kast pakken, trekken zelf hun jasje aan voordat ze gaan buiten spelen, etc. Uiteraard verliest de leidster niet uit het oog dat ook kinderen die al ’groot’ zijn, behoefte hebben aan een knuffel en een aai over de bol. Naast het vrije spel, wat belangrijk is en waar dagelijks tijd en ruimte voor is, worden er in de groep gerichte activiteiten ondernomen. Activiteiten worden aangeboden met een vooropgesteld doel zoals kennismaking met materialen, iets maken, samenwerking. De leidsters weten welke activiteiten aansluiten bij de ontwikkelingsniveaus, de interesses en de mogelijkheden van de kinderen. Van de kinderen wordt niet te veel maar ook niet te weinig gevraagd. De leidster weet door het gevarieerde aanbod van spelvormen en materialen de nieuwsgierigheid van het kind op te wekken dan wel te bevredigen.
Een kind is een individueel en sociaal wezen. Het heeft behoefte aan momenten van alleen zijn en momenten van samenzijn. Die gelegenheid krijgt het voldoende. Een kind wordt niet gedwongen om deel te nemen aan een bepaalde activiteit noch wordt het gedwongen tot groeps- of individueel spel. De leidster kan een kind wel aanmoedigen tot deelname aan het spel en het daarbij ondersteunen. Het resultaat van spel en activiteit is van secundair belang, de kennismaking van het materiaal en het gezellig samen bezig zijn staan voorop. De leidsters zijn terughoudend met helpen, voordoen of ingrijpen. Zij zullen het kind ondersteunen door het te stimuleren iets zelf te doen of het samen nog eens te proberen. De leidster is royaal in het geven van complimentjes en waakt ervoor dat de ontwikkeling van het ene kind niet belemmerend is voor een ander kind of de groep als geheel. Zij stellen grenzen wanneer een kind zichzelf of anderen in gevaar brengt.
Speciaal voor peuters in de leeftijd tussen 2 en 4 jaar organiseert KDV “De Droom” 5 ochtenden per week Kwekki’s ochtenden. Peuters worden door middel van zang, dans en diverse knutsel activiteiten voorbereid op de basisschool. Iedere Kwekki’s ochtend wordt gegeven door een professionele leidster. Deze Kwekki’s ochtenden vinden plaats in het kinderdagverblijf, maar regelmatig zullen er met de kinderen uitstapjes worden gemaakt naar; de kinderboerderij, speeltuin, het park of de bibliotheek. Vigo’s werkt met een peutervolgsysteem: “zo volg je peuters” dat is ontwikkeld binnen de praktijk van het begeleiden van jonge kinderen. Daarbij is voornamelijk gelet op de hanteerbaarheid en doelmatigheid van het instrument voor de gebruikers. Middels concrete observatieactiviteiten, beschreven in de ideeënkaarten, wordt de algehele ontwikkeling van het individuele kind in beeld gebracht. Het doel daarbij is het in kaart brengen van het ontwikkelingsproces van peuters en het vroegtijdig signaleren van specifieke hulpvragen.
De keuze voor kinderopvang in een kinderdagverblijf is een keuze voor opvang van het kind in groepsverband. Een groep is een verzameling individuen die overeenkomstige belangen maar natuurlijk ook wel eens tegenstrijdige belangen hebben. In de groep wordt zoveel mogelijk ruimte gelaten aan en rekening gehouden met ieder kind zonder dat andere kinderen daardoor in de verdrukking komen. Kinderen leren dan ook al vroeg in zekere mate spelenderwijs rekening te houden met elkaar. In de pedagogische doelstelling staat omschreven dat ‘kinderen in groepsverband’ worden samengebracht met het oog op de ‘bevordering van de ontwikkeling’. Om zich te kunnen ontwikkelen is het een voorwaarde voor kinderen dat zij zich veilig en vertrouwd voelen in de groep. De leidsters en de speelgenootjes spelen daarbij een belangrijke rol. Het kind moet de gelegenheid krijgen een band op te bouwen met hen. Dit laatste wordt bevorderd door:
Om een basis te leggen voor een vertrouwensrelatie tussen ouders en kinderdagverblijf is een gewenningsperiode ingesteld. Uiteraard is dit vooral voor het betreffende kind van belang, hoewel onze ervaring is dat bij heel jonge baby’s het juist de ouders zijn die moeten wennen. Het doel van de wenperiode is:
Het wennen betekent in feite oefenen, zodat het kind op den duur voldoende vertrouwen heeft om te kunnen functioneren in de groep. Hiervoor is het vertrouwen van de ouders in de leidsters en het dagverblijf noodzakelijk. Dit vertrouwen wordt opgebouwd door samenwerking en overleg.
Voorafgaande aan de plaatsing van een kind worden de ouders met het kind uitgenodigd te komen kennismaken en wordt er een gewenningsdag afgesproken en het belang hiervan. Met kennismaken bedoelen wij meer dan elkaar van gezicht kennen. Door een gesprek willen wij het kind en de ouders beter leren kennen en kunnen kind en ouders de gang van zaken in het dagverblijf leren kennen. Tevens ontvangen zij informatie over de dagelijkse gang van zaken bij De Droom.
Voor de leiding is het gesprek van belang om een goede start te kunnen maken met het kind. Met de ouders is een vertrouwensrelatie noodzakelijk om goed voor het kind te kunnen zorgen. Na dit kennismakingsgesprek is het kind alleen of samen met de ouders welkom om een dagdeel in de toekomstige groep door te brengen zodat de dagelijkse gang van zaken zichtbaar wordt en de groepsgenootjes en leidsters vast en beetje bekend worden. De tijd dat een kind een groter kind alleen in een groep verblijft wordt in overleg met de ouders rustig opgebouwd. De leidster speelt een belangrijke rol bij het wennen van een kind. Zij houdt rekening met de leeftijd en het karakter van het kind. Een dreumes of peuter wordt spelenderwijs bekend gemaakt met de ruimte en de regels. De groepsgenootjes spelen daar overigens vaak onbedoeld een belangrijke rol bij. Er wordt extra aandacht gegeven in de vorm van lichamelijk contact, rondkijken in de groep en kennismaken met andere kinderen, of juist niet als het kind wat angstig is. Aandacht betekent ook ondersteuning bieden aan het kind bij het vinden van een eigen plekje in de groep. Het kind moet zich welkom voelen. Wanneer uit het gedrag van het kind valt op te maken dat het moeilijk wennen kan, wordt in overleg met de ouders de wenperiode verlengd dan wel naar andere mogelijkheden gezocht om het wennen te vergemakkelijken.
Brengen en halen
Het brengen van het kind is een belangrijk moment van de dag. Het kind zal afscheid moeten nemen van de ouders. Vooral jonge kinderen kunnen moeite hebben met het loslaten van de vertrouwde ouder. De belofte dat hij later op de dag weer opgehaald zal worden stelt een baby niet gerust want iemand die uit het zicht verdwijnt is voor hem definitief weg. De leidster zal het kind overnemen bij het weggaan van de ouder en dan samen gaan zwaaien of het kind wordt door de leidster tot spel aangezet of uw kind eet gezellig aan tafel zijn broodje. Deze activiteit zal het kind afleiden waardoor het zijn verdriet snel vergeet. De ouder kan dit proces bespoedigen door het afscheid niet te rekken. Ook al is het soms moeilijk, het is van belang dat het kind weet dat de ouder vertrekt en dat dit niet onopgemerkt gebeurt. Bij het halen van het kind dient de ouder zich te realiseren dat het kind op dat moment in spel verdiept kan zijn en dat hij gefrustreerd kan raken als hij daar te abrupt uit wordt weggehaald. De momenten bij het brengen en halen geven gelegenheid tot het uitwisselen van informatie en vragen aangaande het kind tussen ouder en leidster.
Zindelijk worden
Ieder kind ontwikkelt zich op zijn eigen wijze en in zijn eigen tempo. Dit geldt ook voor het zindelijk worden. Een kind wordt zindelijk wanneer het daar zelf aan toe is. De kinderen worden gestimuleerd tot zindelijkheid doordat ze elkaar op het potje of naar de wc zien gaan. De voorbeeldfunctie van andere kinderen is van groot belang. De leidster is alert op de reactie van het kind en zal regelmatig aan het kind voorstellen om op het potje te gaan. Het zindelijk maken van de kinderen gebeurt met zachte hand, dwang helpt niet of werkt zelfs averechts. De leidster zal het kind prijzen en belonen voor elke stap die het zet op de weg naar het zindelijk zijn. Dat kan bijvoorbeeld door het kind samen met de leidster zelf de inhoud van zijn potje te laten legen in het toilet, waarna het kind mag doorspoelen. Het weglaten van de luier gebeurt alleen na overleg met de ouders. De Droom heeft zelf de luiers, ouders hoeven deze niet mee te nemen. Uit organisatorisch en hygiënisch oogpunt worden wegwerpluiers gebruikt in het kinderdagverblijf.
Trakteren
Een kind krijgt regelmatig traktaties aangeboden, bijvoorbeeld bij verjaardagen of als een ander kind afscheid neemt. Bij voorkeur bestaat de traktatie niet uit snoepgoed omdat dit slecht is voor het gebit. De leidsters kunnen adviseren bij het zoeken naar leuke, gezonde traktatie ideetjes. Als er onverhoopt toch zakken snoep uitgedeeld worden dan mogen de kinderen er een snoepje uitkiezen waarna de rest aan de ouders meegegeven zal worden. Gevaarlijk snoepgoed, zoals lolly’s, worden door de leidsters verwijderd. Bij een verjaardag wordt er in principe alleen getrakteerd voor de kinderen die op het betreffende dagdeel aanwezig zijn. Bij afscheidsfeestjes wordt daarin wel een uitzondering gemaakt.
Feestrituelen
In het kinderdagverblijf wordt aandacht besteed aan de feestdagen. Voor de Paasdagen wordt geknutseld evenals voor vader- en moederdag. Voor dierendag wordt een cadeautje gemaakt dat in het teken van het dier staat en St. Maarten wordt gevierd met het maken van een lampion en het zingen van liedjes. Voordat Zwarte Piet langskomt en voor ieder kind een cadeautje meeneemt worden liedjes gezongen en maken de kinderen pietenmutsjes. De kerstmis wordt gevierd met het versieren van de kerstboom en een gezamenlijke activiteit. Daarnaast worden verjaardagen en afscheidsfeesten van de kinderen tot een bijzondere gebeurtenis gemaakt. Alle kinderen komen bij elkaar en het feestvarken wordt uitgebreid in het zonnetje gezet in de eigen groep: er wordt gezongen, gedanst en getrakteerd. De jarige krijgt een feestmuts op en heeft speciale voorrechten, krijgt een verjaardagscadeautje en mag de leidster helpen bij het binnenbrengen en uitdelen van de traktatie. Het is belangrijk voor de sociale ontwikkeling van het kind dat er speciale aandacht wordt geschonken aan deze feestelijkheden. Kinderen die wat verlegen of angstig zijn voor alle aandacht van de groep worden als lid van de groep, minder als individu, in het zonnetje gezet. Omdat het feestritueel vaste programmaonderdelen heeft, is het voor ieder kind een vertrouwd gebeuren. Het is duidelijk wat er allemaal komen gaat, dit zien ze al bij het hangen van de slingers als zij ‘s morgens worden gebracht. Eventueel mogen er 2 volwassenen bij de verjaardag van het kind meekomen. Dit aub in overleg met de leidster ivm met de tijdsplanning.
Corrigeren en belonen
Zoals wij reeds hebben aangeven begeleidt een leidster het kind door niet meer maar ook niet minder te verwachten dan het kind qua ontwikkelingsniveau aankan. Voor een kind is het belangrijk om te weten wat de grenzen zijn. Dat kan het kind leren door het vriendelijke, duidelijke en consequente optreden van de leidster. Bij kleine kinderen moet het geweten nog gevormd worden, wat nodig is om zelf te weten wat goed en fout is om te doen in bepaalde situaties, hetgeen nodig is om zelfstandig te zijn. Jonge peuters weten al wel wat van ‘goed en fout’ maar kunnen zich alleen aan regels houden als degene die de regels stelt ook daadwerkelijk aanwezig is. Langzamerhand groeit de peuter naar een fase waarin hij de regels naleeft ook zonder de directe aanwezigheid van de leidster. Overigens is de vorming van het geweten bij kinderen niet voltooid wanneer zij op vierjarige leeftijd het kinderdagverblijf verlaten. De leidsters prefereren een positieve benadering van het kind, het prijzen van het gewenste gedrag. Het woord ‘straffen’ past niet in het gedachtengoed van Vigo’s Kinderopvang, liever spreken wij van corrigeren. Corrigeren kan op verschillende manieren gebeuren. Een beproefde methode is het afleiden van het kind. Kinderen worden een beperkt aantal keren gewaarschuwd, niet op een afstand en niet met stemverheffing. De mimiek van het gezicht van de leidster is een hulpmiddel bij het overbrengen van de boodschap. De leidster keurt het gedrag af wanneer het belang van andere groepsleden in het gedrang komt. Daarbij wordt het gedrag afgekeurd, niet het kind. Leidsters zijn terughoudend bij het ingrijpen in een conflict zolang kinderen elkaar geen pijn doen of er onveilige situaties ontstaan. Vaak lost een conflict tussen de kinderen zich snel op juist omdat er geen volwassene bij betrokken wordt. Wanneer een conflict zich niet oplost zal de leidster een handje helpen, dit kan eventueel door afspraken te maken met de kinderen als het bijvoorbeeld een gevecht betreft rond het gebruik van een stuk speelgoed: bijvoorbeeld ”eerst mag jij op de schommel en dan mag jij”. De leidster houdt rekening met de karakterverschillen van de kinderen. Zo zal zij een minder weerbaar kind aanmoedigen om voor zichzelf op te komen en een agressief kind wat afremmen. Het gebeurt wel eens dat waarschuwingen niet helpen. Soms is een kind niet gevoelig voor opmerkingen of afspraken met de leidster en blijft het doorgaan met ongewenste gedrag. Om het kind tot bezinning te brengen is een bekend middel ’het stoeltje’. Het kind blijft gedurende enkele minuten op een stoeltje zitten, wat weggeschoven van de andere kinderen. Omdat hij daardoor even buiten het groepsgebeuren wordt geplaatst en tot rust wordt gebracht is dit over het algemeen voor het kind een goede methode om snel tot zichzelf te komen en weer over te kunnen gaan tot de orde van de dag.
Spenen /knuffels
Een fopspeen of knuffel is voor veel kinderen een kostbaar bezit, een hulpmiddel bij het inslapen of een bron van troost bij verdriet. Het kinderdagverblijf zal het gebruik van fopspenen vanaf de dreumesleeftijd langzaam aan gaan ontwennen gedurende de dag. Het kind leert om bij het binnenkomen de fopspeen of knuffel in zijn kastje te leggen totdat het tijd wordt om naar bed te gaan. Het kind wordt daardoor niet belemmerd in zijn spel of taalontwikkeling. Tevens is het beter voor de ontwikkeling van de kaak wanneer het gebruik van de fopspeen beperkt blijft. Mocht het kind behoefte hebben aan troost bij groot kinderverdriet dan heeft de leidster de fopspeen of knuffel bij de hand.



